Belangrijkste punten
- De liquidatiereserve (art. 184quater WIB 92) laat kleine BV's toe reserves aan te leggen belast aan 10% bij aanleg, nadien uitkeerbaar met een verlaagde roerende voorheffing.
- De programmawet van 18 juli 2025 heeft de wachttermijn ingekort van 5 naar 3 jaar en het tarief verhoogd naar 6,5% voor reserves aangelegd vanaf 31 december 2025.
- De programmawet van 30 mei 2026 heeft dit tarief vervolgens verhoogd naar 9,8%, van toepassing op uitkeringen vanaf 11 juni 2026.
- Bij effectieve ontbinding van de BV worden reserves uitgekeerd zonder bijkomende voorheffing, behoudens de anti-phoenixclausule van kracht sinds 1 juli 2026.
- Enkel kleine vennootschappen in de zin van art. 1:24 WVV komen in aanmerking voor dit mechanisme.
De liquidatiereserve van een Belgische BV is een van de meest doeltreffende fiscale instrumenten waarover een kleine vennootschap beschikt om haar winst aan een verlaagd tarief uit te keren. Het principe: in plaats van onmiddellijk een dividend uit te keren aan het normale tarief van 30%, legt de BV haar winst in reserve door bij de aanleg een afzonderlijke aanslag van 10% te betalen, en keert deze reserve later uit met een verlaagde roerende voorheffing. Dit mechanisme werd in minder dan twaalf maanden tweemaal hervormd. De programmawet van 18 juli 2025 (B.S. 29 juli 2025) heeft de wachttermijn ingekort van 5 naar 3 jaar en het verlaagde tarief verhoogd van 5% naar 6,5% voor reserves aangelegd vanaf 31 december 2025. De programmawet van 30 mei 2026 (B.S. 1 juni 2026) heeft dit tarief vervolgens verhoogd naar 9,8%, van toepassing op uitkeringen gedaan vanaf 11 juni 2026. Dit artikel legt de werking van het stelsel uit, de toegangsvoorwaarden en wat deze wijzigingen concreet betekenen voor uw BV.
Wat is de liquidatiereserve en op welke wettelijke basis berust ze
De liquidatiereserve is gedefinieerd in artikel 184quater van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92). Ze stelt een kleine vennootschap in staat om een deel van haar boekhoudkundige winst (na vennootschapsbelasting) over te dragen naar een specifieke reserverekening, de zogenaamde "liquidatiereserve".
In ruil voor deze overdracht betaalt de vennootschap een afzonderlijke aanslag van 10% op het overgedragen bedrag, gecodificeerd in artikel 219quater WIB 92. Deze aanslag is verschuldigd op het moment van de aanleg van de reserve, ongeacht enige latere uitkering. Ze is definitief verworven door de Staat: zelfs als de reserve nadien wordt uitgekeerd aan het meest ongunstige voorheffingstarief, zal de aanslag van 10% nooit worden terugbetaald.
Het nut van het mechanisme ligt in wat er bij de uitkering gebeurt. Naargelang de verstreken tijd sinds het afsluiten van het boekjaar van aanleg, is de roerende voorheffing op de uitkering aanzienlijk lager dan het normale tarief van 30%.
Toegangsvoorwaarden: wie kan een liquidatiereserve aanleggen
Niet alle vennootschappen komen in aanmerking. Enkel kleine vennootschappen in de zin van artikel 1:24 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV) kunnen een liquidatiereserve aanleggen. Een vennootschap wordt als klein beschouwd als ze voor het laatste afgesloten boekjaar niet meer dan één van de volgende criteria overschrijdt:
jaaromzet excl. btw
drempel, laatste afgesloten boekjaar
balanstotaal
drempel, laatste afgesloten boekjaar
werknemers (VTE)
jaargemiddelde, laatste afgesloten boekjaar
De voorwaarde van kleine vennootschap wordt beoordeeld voor het boekjaar waarin de aanslag wordt aangelegd. Als de vennootschap de groottegrens overschrijdt en ophoudt een kleine vennootschap te zijn (het criterium van opeenvolgende overschrijding), verliest ze de toegang voor de volgende boekjaren. Reserves die al werden aangelegd tijdens in aanmerking komende boekjaren blijven verworven en volgen hun eigen stelsel.
In de praktijk zijn de overgrote meerderheid van de Belgische BV's kleine vennootschappen: de drempel van 9 miljoen euro jaaromzet dekt nagenoeg alle kmo's. Voor naamloze vennootschappen (NV) is het stelsel identiek onder dezelfde groottecriteria.
Toepasselijke tarieven naargelang de aanlegdatum van de reserve
De programmawet van 29 juli 2025 heeft een apart stelsel ingevoerd naargelang de reserve vóór of na 31 december 2025 werd aangelegd. De onderstaande tabel geeft een overzicht van de tarieven van de roerende voorheffing bij latere uitkering, bovenop de reeds betaalde aanslag van 10%.
| Reserves t.e.m. 30.12.2025 (oud stelsel) | Reserves v.a. 31.12.2025 (nieuw stelsel) | |
|---|---|---|
| Aanslag bij aanleg | 10% (art. 219quater WIB 92) | 10% (art. 219quater WIB 92) |
| Uitkering vóór 3 jaar | 20% | 30% |
| Uitkering tussen 3 en 5 jaar | 6,5% | niet van toepassing |
| Uitkering na 5 jaar | 5% | niet van toepassing |
| Uitkering na 3 jaar (nieuwe unieke termijn) | niet van toepassing | 9,8% |
| Bij ontbinding | 0% | 0% |
Voor reserves aangelegd vóór de hervorming blijft de getrapte structuur intact: wachten tussen 3 en 5 jaar geeft een tarief van 6,5%, en 5 volle jaar wachten geeft het optimale tarief van 5%. Deze oude reserves worden niet beïnvloed door de programmawet van juli 2025: ze volgen volledig het oude stelsel.
Voor reserves aangelegd vanaf 31 december 2025 is de structuur vereenvoudigd: één tijdsdrempel (3 jaar) en één verlaagd tarief (9,8%). Het tarief bij vervroegde uitkering vóór 3 jaar is ook hoger (30% tegenover 20%), wat de stimulans om de termijn te respecteren versterkt.
De wachttermijn van 3 jaar: concrete gevolgen
De meest onmiddellijk operationele wijziging voor BV's die beginnen gebruik te maken van de liquidatiereserve is de verkorting van de wachttermijn. Onder het oude stelsel kon een zaakvoerder die een reserve aanlegde voor boekjaar 2023 (afgesloten op 31 december 2023) deze uitkeren aan 5% tarief vanaf 1 januari 2029. Met het nieuwe stelsel is een reserve aangelegd voor boekjaar 2026 uitkeerbaar aan het verlaagde tarief van 9,8% vanaf 1 januari 2030.
- 1
Boekjaar N
Afsluiting boekjaar NDe BV legt de liquidatiereserve aan vanuit haar winst van boekjaar N. De afzonderlijke aanslag van 10% wordt berekend op het overgedragen bedrag en betaald aan de SPF Financiën met de aangifte vennootschapsbelasting. Het nettobedrag staat in het eigen vermogen onder 'liquidatiereserve'.
- 2
Boekjaar N+1 tot N+2
WachttermijnDe reserve blijft op de balans staan. Een uitkering tijdens deze periode geniet niet van het verlaagde tarief van 9,8%: een uitkering in deze boekjaren is onderworpen aan 30% roerende voorheffing (nieuw stelsel). De beschikbare middelen van de vennootschap kunnen overigens vrij worden aangewend.
- 3
Vanaf boekjaar N+3
Uitkering aan 9,8%Na het verstrijken van een termijn van 3 jaar te rekenen vanaf het afsluiten van het boekjaar van aanleg, geniet de uitkering van het verlaagde tarief van 9,8%. De algemene vergadering stemt over de uitkering; de BV houdt de voorheffing in en betaalt het nettobedrag aan de aandeelhouders.
- 4
Bij ontbinding
0% (anti-phoenix v.a. 01.07.2026)Als de BV wordt ontbonden en effectief vereffend, worden liquidatiereserves uitgekeerd zonder bijkomende roerende voorheffing. Vanaf 1 juli 2026 geldt een anti-phoenixclausule: als de begunstigde binnen drie jaar een gelijkaardige activiteit herneemt, vervalt de vrijstelling.
De termijn van 3 jaar loopt vanaf het afsluiten van het boekjaar van aanleg van de reserve, niet vanaf de datum van betaling van de aanslag of de datum van de algemene vergadering die de rekeningen heeft goedgekeurd. Voor een boekjaar dat afsluit op 31 december 2025 is de termijn van 3 jaar bereikt op 31 december 2028.
Voordelen en beperkingen van dit mechanisme voor een BV
De liquidatiereserve wordt vaak voorgesteld als het beste alternatief voor VVPR-bis voor BV's waarvan de aandelen niet voldoen aan de inbrengvereisten in geld van dat stelsel. Ze heeft concrete voordelen, maar ook beperkingen die het waard zijn te overwegen.
Voordelen
- Toegankelijk zonder voorwaarden in verband met de datum of wijze van inbreng (in tegenstelling tot VVPR-bis)
- Uitkering aan 0% bijkomend bij ontbinding: maximaal fiscaal voordeel op termijn
- Wachttermijn ingekort tot 3 jaar sinds 2026 voor nieuwe reserves (tegenover 5 jaar voordien)
- Globaal effectief tarief gunstiger dan het normale tarief van 30% in alle scenario's na de termijn
- Combineerbaar met andere fiscale strategieën (bezoldiging, aftrekbare beroepskosten, VAPZ)
Nadelen
- Tarief van 9,8% na wachttermijn: minder gunstig dan het vroegere 5% na 5 jaar
- Tarief vervroegde uitkering verhoogd naar 30% voor nieuwe reserves (tegenover 20% voordien)
- Fondsen vastgelegd in reserve gedurende 3 jaar zonder mogelijkheid tot uitkering aan verlaagd tarief
- Aanslag van 10% definitief verloren als de reserve vóór de termijn wordt uitgekeerd (cumulatief 10% + 30%)
- Voorbehouden aan kleine vennootschappen: niet toegankelijk als de groottegrens wordt overschreden
Het hoofdpunt van spanning in het nieuwe stelsel is de afweging tussen snelheid en kostprijs. Het oude stelsel bood een tarief van 5% na geduld, maar tegen de prijs van 5 jaar vastgelegde reserves. Het nieuwe stelsel biedt 9,8% vanaf 3 jaar: voor zaakvoerders die hun vennootschap niet van plan zijn te ontbinden, is de verhouding termijn/kost mechanisch verbeterd, ook al is het eindigend tarief hoger.
Voor aandeelhouders die op termijn hun BV willen ontbinden, blijft de logica identiek vóór en na de hervorming: elk jaar het maximum aan liquidatiereserves aanleggen en wachten op de ontbinding om elke bijkomende voorheffing te vermijden. Het artikel over de ontbinding en vereffening van een Belgische BV beschrijft de te volgen procedure in dat geval.
Richt uw BV op met Monsiegesocial
Domiciliëring, oprichting en volledige begeleiding om uw activiteit te starten in de beste fiscale en juridische omstandigheden. Onze experts begeleiden u bij elke stap.
Liquidatiereserve versus VVPR-bis: hoe kiezen
Beide mechanismen streven hetzelfde doel na (vermindering van de roerende voorheffing op uitkeringen), maar ze richten zich tot verschillende profielen en kunnen niet worden gecombineerd voor eenzelfde uitkering. De keuze hangt voornamelijk af van de inbrenghistoriek en de beoogde uitkeringstermijn.
VVPR-bis (art. 269, §2, WIB 92) is enkel toegankelijk voor aandelen uitgegeven vanaf 1 juli 2013 in ruil voor inbrengen in geld. Het tarief bedraagt sinds 1 juli 2026 18% vanaf het derde boekjaar na de inbreng. Het vereist geen voorafgaande aanslag maar legt strikte formele voorwaarden op (aandelen op naam, inbreng in geld, à pari of boven pari, volledig volgestort).
De liquidatiereserve staat open voor alle kleine BV's ongeacht de datum of aard van hun initiële inbrengen. Ze vereist een aanslag van 10% bij de aanleg, maar biedt een tarief van 9,8% na 3 jaar (en 0% bij ontbinding), tegenover 18% voor VVPR-bis. Voor BV's die op termijn een ontbinding overwegen en die jaarlijks reserves aanleggen, is het liquidatiemechanisme op lange termijn vaak voordeliger.
Voor de concrete boekhoudkundige verplichtingen in verband met deze uitkeringsstrategieën, met name de uitsplitsing in eigen vermogen en de vermeldingen in de toelichting, raadpleeg onze specifieke gids.
Verder lezen
- Roerende voorheffing op dividenden van een BV: tarieven en optimalisatie: een overzicht van de drie stelsels (normaal tarief 30%, VVPR-bis, liquidatiereserve) en hun wisselwerking.
- Vennootschapsbelasting in België: tarieven en berekening: inzicht in de grondslag vennootschapsbelasting vóór het aanleggen van een liquidatiereserve.
- Ontbinding en vereffening van een Belgische BV: de verefeningsprocedure waarbij liquidatiereserves worden uitgekeerd zonder bijkomende roerende voorheffing.



